plaatje

 

De woorden ‘Keer terug, keer honderd maal terug’ uit het bekende gedicht van Rumi herhalen zich de afgelopen dagen in mijn hoofd. En ik probeer te voelen waar dit over gaat, waarom komt dit telkens terug?

Voor wie het niet kent, hier eerst even het gedicht zelf:

Keer Terug!
Keer terug, wat of wie je ook bent, keer terug
afgodendienaar of aanbidder van het vuur, keer terug!
Want onze poort is niet de poort van wanhoop.
Al brak je een gelofte honderd maal, keer terug!

Jalaluddin Rumi (1207-1273)

Het eerste dat komt als ik er even naar luister, is dat het gaat over hoe makkelijk het is om telkens opnieuw iets anders te gaan doen dan wat ik wil doen. En misschien ken je dat wel. Je wilt iets doen, en vervolgens kost het zoveel moeite om dat ook echt te doen. Van je telefoon afblijven, gaan sporten, vroeg opstaan, ander werk zoeken. Van die dingen. En de moeite die het kan kosten om elke keer terug te gaan naar wat je eigenlijk wil doen.

Heen en Weer

En die beweging van heen en weer ervaar ik ook in dit blog. Ik wil iets schrijven wat ik wil delen met de wereld. En ik kom ook een deel in mezelf tegen dat dat helemaal niet wil. En als ik ruimte maak voor wat er hoe dat voelt in mij, ervaar ik een soort verkramping bij mijn borst en aan de bovenkant van mijn schouders. Alsof ik me schrapzet. Alsof ik me al wapen voor wat de wereld straks van mij vindt. En tegelijkertijd wil ik dit toch echt delen want het is belangrijk, én ik geloof ook dat als jij dit leest je misschien wel iets herkent en er dus iets aan hebt. Maar bij elke zin die ik schrijf moet ik dus terugkeren. Elke zin die nog niet geschreven is word ik even de afgodendienaar uit het gedicht, wil ik uit angst (‘wat vinden ze van me?’) weg bij waar ik naar verlang (ik wil mezelf laten zien). En elke zin die ik wel schrijf wordt ik de aanbidder van het vuur, volg ik het vuur in mij.

En het bijzondere van dit proces is dat alleen al beseffen dat een deel van mij dit spannend vind en erkennen dat dat er dus ook is voldoende is. Dan kan ik weer voelen dat het stroomt, dat ik het kan opschrijven en dat het klopt om het te doen. En ik weet dat ik het ergens ook spannend vind.

Twee routes

En ik merk telkens weer dat de andere oplossing die we als mens vaak kiezen: stug doorbijten, doorgaan, zonder rekening te houden met wat je voelt, wat je lijf je vertelt, niet de oplossing is. Ja, je krijgt dingen voor elkaar, én je slaat ook iets over. Het stuk in je dat het spannend vind mag niet meedoen als het ware.  Maar het is er wel, het zorgde er namelijk voor dat ik een verkramping in mijn borst en aan de bovenkant van mijn schouders ervoer. En als ik ruimte maak voor waar in mij de spanning nou zit, dan komt er als vanzelf ontspanning. “Want onze poort is niet de poort van de wanhoop.” Die regel staat voor mij voor het bijzondere effect dat met het contact met waar het spannend wordt in mij er juist de opening onstaat die ik die ik daar niet dacht te vinden.

En natuurlijk lijkt dit ook op hoe ik mensen begeleid met hun vragen. Niet alleen maar denken en analyseren, maar contact leren maken met waar het blokkeert en onderzoeken wat nodig is om het weer te laten stromen. En nu doe ik het al schrijvend voor mezelf.

Hoe doe jij dat?

Hoe blijf jij bij wat je wil doen?

Wanneer wordt het te spannend?

Wat doe je dan?